Een klein stukje geschiedenis
Al vanaf 5000 jaar v.Chr. drinkt de mens al wijn. Het is waarschijnlijk een herder geweest,
die op de berg Ararat in de Kaukasus, de eerste druiven plukte. De geiten aten de loten,
waardoor er volle druiventrossen konden groeien. De herder perste vervolgens de druiven in een ton.
De geperste druiven gingen gisten en zo ontstond er een alcoholische drank die we wijn noemen.
In de loop van de volgende eeuwen verspreidde de wijn zich in alle richtingen. Door handel met
naburige landen Libanon en Palestina verspreidde de kennis van de wijnbouw zich. Zodoende kwam deze
in het oude Egypte terecht z'n 3000 jaar v.Chr.. Circa 2000 jaar v.Chr. bereikte de druivenstok Griekenland.
Ook in Gallië, een deel van Frankrijk, Italië en Spanje raakte de wijnbouw bekend. In de tijd dat
Caesar Gallië bezette, zijn eerste wijngaarden aangelegd. De Galliërs ontwikkelden zich snel tot
uitstekende wijnbouwers. Zij sloegen de wijn in eikenhouten vaten op. In die tijd maakten de Grieken en
Romeinen ook nog gebruik van lederen zakken en amphora's, amforen waren kruiken in aardewerk die gebruikt
werden om graan of vloeistoffen in te bewaren.
Omdat een amfora te poreus was om wijn in te bewaren werd er hars aan de wijn toegevoegd, omdat hars de
houdbaarheid van wijn kennelijk verbeterde bleven de Griekse wijnbouwers hars aan hun wijnen toevoegen. De Retsina
was de meest bekende Griekse wijn en wordt nog altijd gemaakt. Een andere reden voor de toevoeging van hars die
genoemd wordt, is dat mensen aan de harssmaak gewend zouden zijn geraakt, en deze anders zouden gaan missen. Vanaf
1980 werden moderne vinificatie methoden in Griekenland geïntroduceerd en appellations contrôlées
ingevoerd.
De oude Grieken dronken hun wijn verdund met water, en gebruikten daarvoor een drinkschaal (kylix).
Tot in de 17e eeuw werd hoofdzakelijk jonge wijn gedronken. Door het gebruik van kurk werd het daarna mogelijk wijn langer in flessen te bewaren.
In de periode vanaf 1864 werden duizenden hectaren wijngaarden in Frankrijk vernield door de druifluis
(Phylloxera vastatrix). Het onderzoek van Louis Pasteur
naar de oorzaken van ziekten van wijn en de methode om wijn te bewaren legde
de grondslag voor de oenologie. De Franse wijnbouw werd gered door Europese druivensoorten te enten op
Amerikaanse stammen die resistent waren voor de vraatzucht van de druifluis. De Amerikaanse variant bleek namelijk in staat om
opnieuw wortelpunten aan te groeien.
Vanuit Frankrijk verspreidde de wijn zich verder over de wereld.
We kennen nu ook wijnen uit Zuid-Afrika,Australië, Argentinië, Chilli en de Verenigde Staten.
Ook komen er steeds meer wijnen uit de gebieden als Bulgarije, Hongarije en Roemenië op de markt